De geschiedenis van het orgel. 

Het orgel  behoort tot de oudste instrumenten in de geschiedenis.

Reeds in late middeleeuwen was er een draagbaar orgeltje,dat werd meegedragen in processies. Het was niet meer dan een houten kistje met pijpjes en een blaasbalgje voor de lucht. Met de ene hand pompte men lucht in pijpen en met de andere hand bediende men de toetsen ,ofwel ventielen. Je kunt je de vraag stellen of het orgel nu een blaasinstrument of een toetsinstrument is. Want eigenlijk is het niet meer dan een verzameling fluiten op een kastje. De fluiten,of zo je wilt, pijpen waren van hout.

Doordat het orgel steeds groter werd, kwam het vanaf 1100 in kapellen en kerken te staan. Meestal met nog maar een register, het blokwerk.

In die kerken had het orgel een openbare functie: het werd bespeeld tijdens de markten ,die in de kerk gehouden werden. De kerk was in die dagen de ontmoetingsplek voor de burgers. Op zondag, tijdens de godsdienstoefening, mocht het niet worden bespeeld. Dat was de oneerbiedig. Te werelds.

Gaandeweg werd het orgel steeds groter en kreeg het meer registers.

Daarbij kan je de stemmen verdelen in vier groepen. De labialen, dat zijn vaak de prestant en het octaaf. Die zijn van orgelmetaal, een legering van tin en zink. Je ziet de prestant meestal staan in het front. De klank is fors en draagkrachtig. De pijpen zijn recht van vorm. Ze hebben een wijde mensuur Dan komen de fluiten, die hun milde zachte toon voortbrengen, zangerig. Ze kunnen van metaal zijn,maar ook van hout. Bij de metalen pijpen valt hun conische vorm op.

De derde groep zijn de vulstemmen. Letterlijk vullen zij de grondstemmen op, waardoor het orgel  zijn typische gemengde klank krijgt.

De laatste groep zijn de tongwerken. De Trompet en de Dulciaan zijn daar voorbeelden van. Zij brengen hun klank voort door koperen stevels,die in de pijp tot trilling worden gebracht door de lucht.

In het orgel zie je lange en korte pijpen. Dat heeft te maken met de klankhoogte van de pijp. Het wordt gemeten in voetmaten. Zo is 8 voet gelijk aan klein c, zeg maar de centrale c op de piano bij het sleutelgat.

Maar er zijn er ook van 32 voet en 1 voet. Hoe lager de voetmaat ,hoe lager de toon en natuurlijk andersom. De pedaalregisters zijn vaak van hout, zoals de Subbas en de Bourdon.

Vaak worden pijpen van boven afgedekt. Dit resulteert in een andere toonhoogte. Zo klinkt de Roerfluit 8 voet, een gedekte pijp dus, als een 4 voet. En het werkt ook ruimtebesparend in de orgelkas.

De vulstemmen zijn de kwinten tussen de genoemde voetmaten in. Om een voorbeeld te noemen: een Quint 2 2/3. Deze stem versterkt de derde boventoon van een 8 voet, dus de kwint, de vijfde toon gerekend vanaf de grondtoon. Als de grondtoon c is, is dat de g in het volgende octaaf.

Een belangrijke vulstem is de Mixtuur. Hier klinken meerdere pijpen op  een toets. Bij een Mixtuur 4 sterk hoor je dus 4 pijpen klinken,in kwinten en tertsen gestemd ,terwijl je maar een toets aanslaat. Dat geeft de typische klank aan het orgel. Andere voorbeelden van meervoudige vulstemmen zijn de Sesquialter, de Cornet en de Tertiaan. Vulstemmen geven dus een boventoonrijke klank aan het orgel. Veel later,in de 18e eeuw,kwamen daar ook de strijkers bij. Zoals de Viola, de Vox Humana en de Salicionaal.  Dit zijn vaak 8 en 4 voets registers.

Hoe werkt het orgel eigenlijk. Ik zei al eerder,dat het orgel een verzameling pijpen op een kastje is. Dat kastje noemt men de windlade.

In die windlade zitten gaten, waar de pijpen op staan. Binnen in de windlade zit een plank, ook met gaten, de sleep .Als ik nu een register uittrek, schuift die sleep precies onder de gaten van de windlade, waar de pijpen opstaan. Hierdoor ontstaat en een doorgang voor de lucht uit de blaasbalg,die ook met de windlade in verbinding staat. Iedere stem, elk register heeft zijn eigen windlade. Maar dan heb je nog geen toon.

Om dat te realiseren, moet ik met de toets een ventiel onder de windlade openen. We noemen dat het speelventiel, oftewel de pulpeet. En de toon kan klinken. Achter het klavier van het orgel vind je de wellenbord. Dat is een verzameling draden en latjes,de abstracten genoemd,die de mechanische beweging naar het speelventiel verzorgen. Overigens heeft het orgel later meerdere klavieren gekregen. Vaak twee, maar ook wel drie en in de 19e eeuw waren vier of zelfs vijf klavieren geen uitzondering. Dit type orgel wordt ook wel het mechanisch sleeplade orgel genoemd en is gebouwd tot het einde van de 19e eeuw.

Pas in de 17e eeuw werd het orgel ook gebruikt tijdens kerkdiensten. Iets wat voor die tijd  door Calvijn streng verboden was. Zelfs toen Sweelinck, een in Deventer geboren componist en organist in de Oude Kerk in Amsterdam stadsorganist was, kwam het kerkvolk eigenlijk meer voor zijn orgelspel na de kerkdienst,dan voor die ellenlange preek.

De Synode van Arnhem,een kerkvergadering in 1740, besloot het gebruik van het kerkorgel tijdens de diensten.

Een van de  oudste orgels in een instrument uit 1521 ,dat in Oosthuizen staat. Maar ook het orgel van de Pieterskerk in Leiden en het orgel van de Laurenskerk in Alkmaar zijn oude instrumenten. Het zijn orgels,die in de middentoonstemming staan. Een stemming die uitgaat van zuivere,dus reine kwinten. Muziek van componisten van voor Bach. Denk aan Buxtehude, Sweelinck, Scheidt. Froberger en anderen. Harald Vogel heeft mooie opnames gemaakt.

Met Bach ontstond er een nieuwe stemming. Toen was het mogelijk, om in alle toonsoorten te spelen. Deze stemming is eigenlijk niet helemaal zuiver, maar wel handiger. Het is een stemming ,die door Werckmeister is ontwikkelt. Hierin spelen de tertsen een belangrijke rol.

Een cd tip is de cd box “ Die orgeln von Silbermann”, van het label Querstand. Bach  heeft de Orgelbouwer Silbermann vaak geadviseerd bij zijn orgelbouw. Het zijn dus echte Bachorgels.

Inmiddels zitten we in de 17e eeuw. In deze eeuw werden veel orgels gebouwd. Denk aan Schnittger en Hinsz  en anderen. De orgels werden gebouwd volgens het Noordduitse Barokprincipe. Heldere vulstemmen en draagkrachtige grondstemmen.  Met zeer fraaie orgelkassen. Je vind voorbeelden in Zwolle, Michaelskerk; Groningen, Martinikerk en in Friesland, zoals in Harlingen  en Franeker. Maar ook in de Groninger Ommelanden vind je prachtige voorbeelden van Hinsz en Schnittger

In de 18e eeuw was Muller een bekende orgelbouwer, die in Haarlem het orgel voor de Bavokerk bouwde. Hier heeft Mozart ook op gespeeld. Zijn Fantasia en Fuga KV 608 is een hoogtepunt op dat gebied. In deze eeuw kwamen Italiaanse invloeden in naar voren,zoals veel tongwerken en zachtere grondstemmen. Die ontwikkeling zette zich voort in de 19e eeuw. Het gebruik van romantische registers werd steeds populairder. Een belangrijke bouwer waren de gebroeders Batz. Zij bouwden het orgel van de Domkerk in Utrecht. Batz had veel werknemers,die later voor zichzelf zijn begonnen. Zoals Witte en Flaes. Ikzelf bespeel een Flaesorgel uit 1867. Een klassiek instrument. Zeer geschikt voor Mendelssohn.

Aan het eind van de 19e eeuw kwam er een ommekeer in de orgelbouw. Het mechanische principe werd vervangen door het pneumatische principe. Daarbij werd de toonvoortbrenging gerealiseerd door middel van luchtdruk. De toetsdruk werd  daardoor minder zwaar dan bij het mechanische orgel. Daardoor kom men virtuozer spelen. Het was de tijd van de Franse Cavaille-Coll orgels en Cesar Franck,die eens zei: “ L’orgue  c’ést mon orchestre.” Een voorbeeld van dit orgel vind je in de Philharmonie in Haarlem .Maar verder uiteraard in Parijs, zoals de Saint Sulpice en de Notre Dame. Je kunt deze orgels symfonische instrumenten noemen.

De orgelsymfonie opus 78 van Saint-Saens is een bekend voorbeeld van een stuk,waarbij orkest en orgel samenwerken. Het was de tijd van de grote orgelsymfonieën van Widor en Louis Vierne .Een goede cd suggestie zijn de uitvoeringen door Daniël Roth ( Cesar Franck) of Ben van Oosten (Widor en Vierne)

De romantische pneumatische orgels kenmerken zich door en vervangen van de trekregisters door wipregisters. Hierbij zorgt een luchtdruk principe voor het openen van de kegellade en de toets door middel van een membraam de toon voortbrengt.

Een voorbeeld van zo’n bouwer is Walcker, een orgelbouwer uit Ludwigs- hafen. Hij  bouwde het orgel voor de Grote Kerk in Doesburg in 1916 ,dat eerder in de Nieuwe Zuiderkerk in Rotterdam stond. Het enige in Nederland.  In die tijd was Max Reger een belangrijke componist. Hij was het ook,die Bach opnieuw op de kaart zette, met door hem bewerkte uitgaven, samen met Carl Straube.

Muziek van Reger vind je bij Cor van Wageningen op cd .Bekend zijn de Koraalfantasien opus 65. Het label is Toccata Records, een label met zeer goede orgelopnames.

Het einde van de 19e eeuw was ook de periode,dat er veel Rooms Katholieke kerken gebouwd werden. Tot die tijd was deze kerk nog niet erkend door de overheid. Immers, de Nederlands Hervormde Kerk was een staatskerk. Ook binnen het protestantisme kwam een nieuwe kerk op: de Gereformeerde Kerk. Dit gebeurde na een theologisch conflict, in 1886.Ik geloof ,dat het ging over het spreken van de slang in het paradijs. Onder leiding van professor Schilder ontstond zo een nieuwe kerk. De Doleantie van 1886.  Dat betekende ook de bouw van nieuwe orgels. Omdat er ook nog schaarste aan grondstoffen was, in verband met  de oorlog 14-18, waren de orgels niet van heel hoge kwaliteit. Het pijpwerk had een te hoog zinkgehalte, waardoor de klank vaak dof was. Ook ontbrak het vaak aan een orgelkas.

De tractuur was meestal pneumatisch en men kopieerde vaak de franse orgelschool. Niet altijd met succes. Deze periode wordt ook wel  de vervalperiode genoemd en duurde tot WO II. Bekende bouwers zijn Pels,de Koff, HW Flentrop,en Verschueren. De laatste bouwde net als Maarschalkerweerd ,veel voor Roomse kerken. Daar werden neogotische orgelkassen voor gemaakt. Maarschalkerweerd is ook de bouwer van het orgel in het Concertgebouw in Amsterdam.

Na de oorlog, ontstond het Organum Novum, een orgelbeweging,die zich op de barokke bouwprincipe van het orgel richtte. Ook wel Orgelbewegung genoemd. Enkele belangrijke initiatiefnemers waren Albert Schweitzer en Lambert Erne. Er moest weer een mechanisch instrument gebouwd worden met de klankkleur van de 17e eeuw. Men had grote problemen met de pneumatische orgels ,die veel  storingen vertoonden en muzikaal niet meer in de smaak vielen. Een voorbeeld van een dergelijk orgel vind je in Utrecht in de Nicolaikerk, waar de Deense orgelbouwer Marcussen een instrument in de stijl van de Organum Novum voltooide. En voor de NCRV studio  bouwde hij  het Sweelinck orgel. Opvallend bij deze instrumenten zijn de gebronsde pijpen en de liggende Trompet, die uit het front steekt.

Het klankkarakter van deze orgels was heel helder,maar ook vaak heel fel. Met veel vulstemmen en tongwerken en een intonatie,die de pijp hoog opsneed.

Intoneren van de pijpen is een secuur werk. Nadat de pijp gerold is en de labiaal is aangebracht ,zeg maar de spleet aan de voorzijde, moet de pijp een stem gegeven worden. Met een mesje wordt er op een juiste plaats in de labiaal gesneden. Dat noemt men opsnijden oftewel intoneren. Hoe hoger de opsnede ,hoe feller de toon.

In deze tijd kwamen ook grote restauraties van historische orgels van de grond. Daarbij werd uitgegaan van de oorsprong van het instrument en werden latere restauraties aan het orgel te niet gedaan. Marcussen en Flentrop waren belangrijke restaurateurs maar ook van Vulpen, Leeflang en Reil.

Bovendien waren door de oorlog en de slag om Arnhem kerken en orgels zwaar beschadigd of verloren gegaan. In Arnhem is de Eusebiuskerk herbouwd. Het verloren gegane Wagnerorgel uit 1770 werd vervangen door het Strumplerorgel uit 1795. Dat orgel heeft gestaan in de Kloveniersburgwalkerk in Amsterdam en was in de jaren 30 beroemd om het orgelspel van Jan Zwart, die daar speelde. Ook in Nijmegen werd het Konigorgel gerestaureerd. In Doesburg kwam het Walckerorgel met een Flentrop koororgel en in Doetinchem  Wageningen en Elst kwamen instrumenten van DA Flentrop en van Vulpen.

Aan het einde van de vorige eeuw is een discussie ontstaan rond de  restauratie en intonatiepraktijk,zoals die vanaf de jaren vijftig is gevoerd.

Bij het restaureren van historische orgels worden latere goed uitgevoerde restauraties meegenomen. Daarbij is de gedachte,dat je best het bewogen orgelleven mag laten zien. Een voorbeeld is de restauratie van het Bader/Timpe orgel uit 1643/1813 in de Walburgiskerk in Zutphen .De restauratie werd in 1996 door Reil uitgevoerd.

Een andere discussie is de wijze van intoneren in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw. Men is van mening,dat herintonatie gewenst is, om de scherpte in klank van die orgels weg te nemen. Een voorbeeld van zo’n herintonatie is het Flentrop koororgel in de Martinuskerk in Doesburg.

Inmiddels worden heel veel kerken gesloten ,omdat het aantal kerkgangers afneemt. Dat roept de vraag op, wat er met al die historische kerken en orgels gedaan moet worden. Veel kerken en orgels zijn ondergebracht in stichtingen, die het cultuurgoed willen behouden Het orgel krijgt meer en meer een concertante functie en komt weer los van zijn kerkelijke lading. Je zou kunnen zeggen ,dat de oorspronkelijke situatie van de  middeleeuwen weer terugkeert. Het orgel en de kerk als cultuurgoed met een openbare functie, hoe die ook wordt ingevuld.

Een goed voorbeeld is de Parkkerk in Amsterdam, met een aantal orgels,die op een andere wijze worden bespeeld ,dan in de kerkdiensten.

Daarmee is het orgel weer gewoon een mooi instrument met een eigen muzikaal idioom en nieuwe mogelijkheden. Geen psalmenpomper meer.

 

Ik heb getracht,om een globaal overzicht te geven van de orgelbouw in met name Nederland.

Ik wijs op de orgelencyclopedie die het Nationaal instituut voor de Orgelkunst heeft uitgegeven.

 

Wijnand Klaver. 

 

 Foto van een speeltafel ,die in Graz. Oostenrijk  te vinden is. Je ziet hier mooi het mechaniek.